In Het volle leven onderscheidt Wilhelm Schmid het toevallige geluk (de meevaller, de mazzel, de gelukkige omstandigheid) en het geluk van het goede gevoel (de momenten van gelukzaligheid die vandaag als norm gelden voor een geslaagd leven). Daartegenover stelt hij het geluk van de volheid: het gelukte leven, dat het leven in al zijn tegenstrijdigheid omvat: vreugde en angst, macht en onmacht, ziekte en gezondheid, geluk en ongeluk. In honderd fragmenten geeft Schmid een indruk van hoe het leven in al zijn volheid geleefd kan worden: van de liefde voor de natuur tot de heilzame eenzaamheid, van eeuwige lust tot de lof der traagheid, van een donkere herfstavond tot een beloftevolle voorjaarsmorgen.