Simon Vestdijk kwam eind 1942, toen hij voor zijn medegijzelaars in Sint Michiels Gestel acht lezingen over wezen en techniek der poëzie hield, tot de inspirerende gedachte dat een gedicht 'een glanzende kiemcel, een met vitaliteit geladen eilandje dat zich in de zee van de biologische chaos weet te handhaven' is. Een gedicht bevat als het ware alles in zich. Nu, in de debuutbundel 'Hollandse Nieuwe' van Hans Verzijl (1944) staan naar mijn stellig idee meer dan veertig van die glanzende kiemcellen. Verzijl buit immers in kort bestek alle mogelijkheden van taal uit. De hulpmiddelen die hij daarbij hanteert zijn o.a. boeiend rijm, metrum en ritme, verrassende beeldspraak, uitgekiende gelaagdheid, weloverwogen kernachtigheid en enerverende kunst van het weglaten.